28-06-2021

Innovation Facts: wie ontwikkelt geneesmiddelen?

Nieuwe geneesmiddelen worden ontwikkeld door zowel private als publieke partijen. Maar wie doet nou precies wat? Hierover verschillen de meningen. In deel 3 van Innovation Facts geeft Peter Bertens (VIG) antwoord op deze vraag.

De publieke en private sector beschikken beide over belangrijke kennis en vaardigheden op het gebied van geneesmiddelenontwikkeling, die vaak complementair zijn aan elkaar. ‘Toch wordt geneesmiddelenontwikkeling vaak – ten onrechte - op het conto van universiteiten geschreven’, zegt Peter Bertens, senior beleidsadviseur van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen. ‘De farmaceutische industrie zou vooral aan marketing doen. Een feitelijke onderbouwing van deze stelling is lastig, want rapporten over de financiering van geneesmiddelenontwikkeling zijn vaak incompleet, omdat er vaak geen of beperkte toegang is tot financiële gegevens van bedrijven.’

Amerikaans onderzoek

Onderzoekers van het Amerikaanse Vital Transformation kregen eenmalig toegang tot deze bedrijfsgegevens en onderzochten hoe de ontwikkeling van 18 goedgekeurde geneesmiddelen is gefinancierd. De resultaten werden in mei gepubliceerd. ‘De onderzoekers hebben specifiek gekeken naar geneesmiddelen die hun oorsprong in de academie hadden’, zegt Bertens. De ontwikkeling van deze middelen is op een gegeven moment overgenomen door bedrijven. Publieke investeringen in het onderzoek naar die 18 middelen waren fors: in totaal $ 670 miljoen. ‘Maar deze miljoeneninvesteringen waren onvoldoende om de middelen naar de markt te krijgen: bedrijven moesten hier nog forse investeringen van in totaal $ 44,2 miljard voor doen’.

Resultaten onderzoek

  • De National Institute of Health (NIH) gaf in het jaar 2000 in totaal 23.230 subsidies uit voor geneesmiddelonderzoek.
  • Uiteindelijk hebben deze subsidies bijgedragen aan de ontwikkeling van 41 experimentele geneesmiddelen die uiteindelijk klinisch getest werden
  • In totaal gaf de NIH $ 2,4 miljard uit aan de verdere ontwikkeling van deze 41 middelen.
  • Geneesmiddelbedrijven hebbben hier bovenop nog $ 50,2 miljard extra in geïnvesteerd.
  • Uiteindelijk werden 18 van deze 41 experimentele middelen door de FDA toegelaten als geneesmiddel, en konden deze worden voorgeschreven aan patiënten.
  • In totaal investeerde de NIH $ 670 miljoen aan deze middelen. Voor de verdere ontwikkeling en registratie was vanuit de industrie nog $ 44,2 miljard noodzakelijk.
  • Bij 17 van deze 18 geneesmiddelen was er veel meer private (industrie) financiering dan publieke (universitaire). Ook voor onderzoeken die uiteindelijk mislukten was er meer private dan publieke financiering, onafhankelijk van het tijdstip van mislukken.

Achtergrond

Geneesmiddelontwikkeling is een onzeker, risicorijk en kostbaar proces. In 2019 becijferden onderzoekers van GUPTA dat de ontwikkeling van een geneesmiddel gemiddeld ongeveer $ 2,5 miljard kost. Grote sommen geld gaan zitten in de financiering van projecten die uiteindelijk mislukken en in de kosten van het kapitaal zelf (‘rente’).

Overheden zijn de voornaamste financiers van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in de biomedische wetenschappen. In Nederland gebeurt dat onder meer via NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek), in de Verenigde Staten via de NIH. In 2018 had het NIH een budget van $ 35,4 miljard, waarvan 8% gericht was op onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen. De innovatieve farmaceutische industrie ontwikkelt nieuwe geneesmiddelen. In 2018 investeerden Amerikaanse bedrijven $ 102 miljard in het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen.

Wat betekent dit?

Uit de studie van Vital Transformation wordt duidelijk dat geen enkel geneesmiddel ontwikkeld is met alleen publiek geld. Bertens: ‘Het is zelfs fair te concluderen dat hoe meer private investeringen er zijn, des te groter de kans is dat een experimenteel geneesmiddel uiteindelijk een positieve beoordeling krijgt van de FDA.’ Verder valt op dat de industrie veruit meer geld stopt in geneesmiddelontwikkeling dan de publieke sector. Vreemd is dit niet, vindt Bertens. ‘De industrie is veel beter dan de universiteit in staat geld aan te trekken vanuit de markt, van investeerders die weten dat geneesmiddelontwikkeling risicovol is. En dat dit risico voor investeerders ook nog aanwezig is nadat een geneesmiddel op de markt mag komen, wordt ook duidelijk. Vier van de 18 geneesmiddelen waren kaskrakers en bereikten een jaarlijkse omzet van meer dan $ 1 miljard. Aan de andere kant waren er ook vier middelen die nauwelijks omzet haalden.’

Publiek-private samenwerking

‘De discussie wie wat doet, is uiteindelijk niet zo relevant’, aldus Bertens. Hij verwijst naar de studie, maar ook naar de ontwikkeling van vaccins en geneesmiddelen tegen COVID-19. ’Wetenschappers en geneesmiddelenbedrijven hebben elkaar hard nodig bij de ontwikkeling van nieuwe medicijnen. Ieder heeft zijn eigen specifieke rol in het proces van geneesmiddelenontwikkeling. Laten we elkaar daarin stimuleren en samenwerking opzoeken. Daar zijn we ons zelf toe verplicht, in belang van de patiënt.’
Eenzelfde boodschap bracht VIG-collega Carla Vos vandaag tijdens de eerste bijeenkomst van het Nationaal Farmaceutisch Kenniscentrum. Dit Kenniscentrum is opgericht om academische geneesmiddelontwikkeling te stimuleren.

Download hier het onderzoek Vital Transformation

Meer informatie over het Nationaal Farmaceutisch Kenniscentrum